WVD 2011
Woorden van Tahmina Akefi
Tahmina Akefi sprak maandag 20 juni tijdens Wereldvluchtelingendag over haar ervaring als vluchteling. Ze komt uit Afghanistan, werkte voor het NOS-journaal en debuteert dit najaar met haar boek Geen van ons keek om. Lees hieronder de prachtige woorden die zij sprak op Wereldvluchtelingendag 2011.
“Ik was bijna twaalf toen mijn ouders besloten om Afghanistan te verlaten, het jaar 1995. De burgeroorlog was toen al drie jaar aan de gang. Drie jaar waarin we steeds van de een naar de andere plek vluchtten waar het relatief veiliger was, maar de bommen achtervolgden ons.De aanleiding van ons vertrek was echter iets anders; mijn vader had een klein winkeltje geopend in het centrum van Kabul waar hij en mijn toen nog 16 jarige broer, werkten. Bijna dagelijks kwamen gewapende mannen de winkel binnen om artikelen mee te nemen zonder te betalen. Toen mijn broer op een dag om geld vroeg voor een pakje sigaretten sloegen ze hem in elkaar en wilden ze hem doodschieten. Voor de ogen van mijn vader. Ik ben daar niet bij geweest maar ik heb gehoord hoe mijn vader, zittend op zijn knieën huilde en smeekte om het leven van zijn zoon. Dat beeld, dat is een van de meest pijnlijke herinneringen uit de oorlogsjaren.
Wij verlieten Afghanistan.
De reis naar hiernaartoe zal ik jullie besparen. Mezelf ook. Die ervaring heb ik in een hoekje van mijn geheugen begraven en denk er niet graag aan terug. Want nooit ben ik zo bang geweest om mijn ouders te verliezen dan tijdens die reis waarvan de bestemming onbekend was. Zelfs niet op de dagen dat er duizend raketten op Kabul werden afgevuurd.
Het lot, of misschien moet ik gewoon zeggen de mensensmokkelaar, bracht ons naar Nederland.
Ik was moe, heel moe. Op de achterbank van het witte wagentje van de mensensmokkelaar waarvan de spiraalveren in mijn huid prikten deed ik mijn ogen dicht. Niet in staat om oog in oog te staan met het land dat mij veiligheid zou bieden. Op de een of andere manier maakte die gedachte mij duizelig. We zochten veiligheid en die hadden we gevonden. Maar de rest dan? Deed dat er niet toe? Wat hadden we hier verder te zoeken? Wie waren hier?
Mijn verlangen naar datgene wat ik achter had gelaten begon in dat witte wagentje. Een verlangen dat met de seconde leek mee te groeien. Ik miste mijn vertrouwde omgeving, ik miste mijn vrienden van wie ik, op de één na, niemand meer terug zou zien. En soms, soms miste ik zelfs de oorlogsgeluiden. Hier was het zo stil. Daar kwam bij dat ik niet wist wat mij hier te wachten stond. En wat zouden mensen over mij denken? Als ik buiten was dan leek het alsof iedereen mij aanstaarde en dacht: wat doet zij hier?
Een droom hield mij op de been. Een droom die ik sinds mijn zevende stiekem met mij meedroeg hield mij op de been. Een droom die in een doel veranderde toen ik in Nederland aankwam; ik moest en zou een journaliste worden, koste wat het kost.
Maar daarvoor moest ik wel de taal leren.
Ik hoorde mensen praten en dacht: dit zal mij nooit lukken, ik zal nooit kunnen begrijpen wat ze zeggen laat staan praten. In het opvangcentrum gaf de beveiliger van het complex mij een stapel papieren met woorden met bijbehorende plaatjes. De stapel miste een paar bladzijdes en begon bij de letter K. Zo is Kaas het eerste Nederlands woordje dat ik heb geleerd. Ik had toen nog geen idee dat kaas zo populair is hier. Sterker nog: ik wist niet eens wat het betekende. Het plaatje kende ik niet. Kaas in Afghanistan ziet er heel anders uit.
Maar het begon met dat ene woordje en inmiddels heb ik genoeg andere woorden geleerd waarmee ik een boek kan schrijven over het land waar mijn mooiste en pijnlijkste herinneringen liggen. Over het land dat mij heeft gemaakt tot wie ik ben.”
——————————————————————————————————————————————
Aandacht voor bescherming van vluchtelingen tijdens Wereldvluchtelingendag 2011
Op maandag 20 juni is het Wereldvluchtelingendag. Op deze dag komen zes vluchtelingenorganisaties (VluchtelingenWerk, Stichting Vluchteling, IOM, UAF, Stichting de Vrolijkheid en UNHCR) bij elkaar op het Spuiplein in Den Haag, om aandacht te vragen voor Wereldvluchtelingendag en de noodzaak voor bescherming van vluchtelingen.
Post voor Minister Leers
Tijdens de 30 minuten durende bijeenkomst zullen de betrokken organisaties een open brief overhandigen aan Minister Leers. Voorafgaand aan het overhandigen van de brief zal Minister Leers de expositie De Vluchtelingenjackpot openen. Deze expositie is van 20 juni tot en met 12 juli te bezichtigen op het Spuiplein in Den Haag. Op 20 juni kunt u op deze website de open brief aan Minister Leers lezen.
De Vluchtelingenjackpot
Veel Nederlanders, ook buiten de grote steden, hebben tegenwoordig buren die van oorsprong niet uit Nederland komen en die gevlucht zijn uit hun eigen land. Hoewel er vaak een goede verstandhouding is, is er ook onbegrip. We weten niet goed waarom mensen naar Nederland zijn gekomen, waar ze vandaan komen, welk leven ze leidden voordat ze vluchteling werden en met welke obstakels ze te maken krijgen in hun poging hier een nieuw leven op te bouwen. In De Vluchtelingenjackpot worden dergelijke verhalen inzichtelijk gemaakt. De fotodocumentaire brengt alles in beeld: onder welke omstandigheden leefden de vluchtelingen in kampen? Waar lopen ze tegenaan in Nederland?
Fotografe Karijn Kakebeeke en journaliste Eefje Blankevoort volgden anderhalf jaar lang – van voorjaar 2009 tot en met najaar 2010 – het selectie- en inburgeringsproces van uitgenodigde vluchtelingen. Via speciale selectiemissies, waar UNHCR ook bij betrokken is, worden vluchtelingen uit landen als Irak, Somalië en Ethiopië uitgenodigd om naar Nederland te komen. Deze vluchtelingen worden uitgenodigd omdat ze extra kwetsbaar zijn. Dat is een mooi ideaal, maar hoe haalbaar is dit in de praktijk? Hoe zorgt Nederland voor de mensen die ze uitnodigt? Hoe is het om een nieuw leven in Nederland op te bouwen? En bovenal, vinden zij geluk in Nederland? Het project De Vluchtelingenjackpot vertelt het verhaal van twee groepen mensen die als vluchteling zijn uitgenodigd om in Nederland een nieuwe toekomst op te bouwen. Eén groep komt uit een vluchtelingenkamp in Noord-Kenia, de andere is een groep Irakezen uit Syrië.


